Hoeveel geld krijg je als je arbeidsongeschikt bent?

Als je arbeidsongeschikt raakt, ontvang je een uitkering via de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). De hoogte hangt af van je arbeidsverleden en de mate van arbeidsongeschiktheid. Bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid (35-80%) krijg je een WGA-uitkering, bij volledige arbeidsongeschiktheid (80% of meer) een IVA-uitkering. De uitkering bedraagt maximaal 70% van je laatstverdiende loon.

Wat is arbeidsongeschiktheid en wanneer krijg je geld?

Arbeidsongeschiktheid betekent dat je door ziekte of gebrek niet meer in staat bent om je eigen werk of ander passend werk te verrichten. Je hebt recht op een uitkering als je minimaal 35% arbeidsongeschikt bent en niet meer kunt werken op het niveau van vóór je ziekte.

Het verschil tussen ziekte en arbeidsongeschiktheid ligt in de duur en ernst van je situatie. Tijdens ziekte ontvang je eerst twee jaar loon van je werkgever. Na 104 weken ziekmelding beoordeelt het UWV of je arbeidsongeschikt bent en recht hebt op een WIA-uitkering.

Voor een uitkering moet je voldoen aan deze voorwaarden:

  • Je bent minimaal 35% arbeidsongeschikt
  • Je hebt in de 36 weken vóór je eerste ziektedag minstens 26 weken gewerkt
  • Je werkgever heeft je loon betaald tijdens de eerste 104 weken van je ziekte
  • Je hebt meegewerkt aan re-integratie-inspanningen

De overgang van loondoorbetaling bij ziekte naar WIA gebeurt automatisch na twee jaar. Het UWV start drie maanden voor het einde van de loondoorbetalingsplicht met de beoordeling van je arbeidsongeschiktheid.

Hoeveel geld krijg je precies bij een WGA-uitkering?

Een WGA-uitkering (Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten) krijg je als je 35-80% arbeidsongeschikt bent. De uitkering bestaat uit twee delen: loonsuppletie en vervolguitkering, beide maximaal 70% van je dagloon.

De hoogte van je uitkering wordt berekend op basis van je arbeidsverleden. Je dagloon is het gemiddelde van wat je verdiende in de periode voordat je ziek werd. Het UWV kijkt naar je loon in het jaar vóór je eerste ziektedag.

De loonsuppletie krijg je als je minder verdient dan je restverdiencapaciteit. Dit is het bedrag dat je theoretisch nog zou kunnen verdienen. Als je bijvoorbeeld 50% arbeidsongeschikt bent en € 2.000 verdiende, maar nu slechts € 800 kunt verdienen, dan wordt het verschil aangevuld tot 70% van je oude loon.

Na de loonsuppletieperiode krijg je een vervolguitkering. Deze is lager en hangt af van je arbeidsverleden. Heb je lang gewerkt, dan krijg je een hogere vervolguitkering dan iemand met een kort arbeidsverleden.

Een praktisch voorbeeld: verdiende je € 3.000 per maand en ben je 60% arbeidsongeschikt, dan krijg je maximaal € 2.100 per maand (70% van € 3.000). Het exacte bedrag hangt af van wat je nog kunt verdienen met je resterende arbeidsvermogen.

Wat is het verschil tussen WGA- en IVA-uitkeringen?

WGA is voor mensen die 35-80% arbeidsongeschikt zijn en nog gedeeltelijk kunnen werken. IVA (Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten) is voor mensen die 80-100% arbeidsongeschikt zijn en praktisch geen werk meer kunnen verrichten.

Het grote verschil zit in de zekerheid en de hoogte van de uitkering. Een IVA-uitkering is stabiel en bedraagt 75% van je dagloon tot je AOW-leeftijd. Een WGA-uitkering kan variëren, omdat deze afhangt van wat je nog kunt verdienen.

Bij WGA moet je actief zoeken naar werk binnen je mogelijkheden. Het UWV kan je uitkering verlagen als je meer kunt verdienen dan verwacht. Bij IVA hoef je niet te solliciteren, omdat je als volledig arbeidsongeschikt wordt beschouwd.

De voorwaarden verschillen ook. Voor IVA moet je:

  • 80% of meer arbeidsongeschikt zijn
  • Geen reële kans hebben op herstel
  • Niet meer kunnen werken in welke functie dan ook

WGA-uitkeringen kennen vaak een tijdelijke loonsuppletie, gevolgd door een lagere vervolguitkering. IVA-uitkeringen blijven stabiel op 75% van je dagloon tot je pensioen, wat meer financiële zekerheid biedt voor mensen die echt niet meer kunnen werken.

Hoe wordt je arbeidsongeschiktheidspercentage bepaald?

Het UWV bepaalt je arbeidsongeschiktheidspercentage door je huidige verdiencapaciteit te vergelijken met wat je vóór je ziekte kon verdienen. Dit gebeurt via medische en arbeidskundige onderzoeken die je arbeidsmogelijkheden in kaart brengen.

Het proces begint met een medisch onderzoek door een verzekeringsarts. Die beoordeelt welke beperkingen je hebt en wat je nog wel kunt doen. Daarna kijkt een arbeidsdeskundige welke functies nog bij je passen en hoeveel je daarmee kunt verdienen.

Verschillende factoren bepalen je percentage:

  • Je medische beperkingen en diagnose
  • Je opleiding, werkervaring en leeftijd
  • Welk werk je nog kunt doen
  • Hoeveel je daarmee kunt verdienen

Het UWV gebruikt een rekenformule: (oud loon – nieuwe verdiencapaciteit) ÷ oud loon × 100%. Als je € 3.000 verdiende en nog € 1.200 kunt verdienen, dan ben je (3.000 – 1.200) ÷ 3.000 × 100% = 60% arbeidsongeschikt.

Ben je het niet eens met de uitkomst? Dan kun je binnen zes weken bezwaar maken bij het UWV. Helpt dat niet, dan kun je in beroep bij de rechtbank. Wij adviseren werkgevers regelmatig over deze procedures en zien dat een goede voorbereiding en documentatie cruciaal zijn voor een eerlijke beoordeling.

Het is belangrijk om tijdens het hele proces mee te werken en alle relevante medische informatie te delen. Dit zorgt voor een juiste beoordeling van je situatie en voorkomt vertraging in je uitkering. Voor meer informatie over arbeidsongeschiktheid en uitkeringen kun je contact met ons opnemen.

Reacties zijn gesloten.